Protestantse Gemeente Sleen

De drie dagen in de Stille week, Sleen 2026

Laat u de liturgieboekjes liggen op donderdag en vrijdag?

Na de Paaswake  kunnen ze mee naar huis worden genomen.

                                    WITTE DONDERDAG 

Vooraf 

       De schikking in de kerk:

De wind waait,

    het maakt het grote klein.

Witte bloemen,

         teer en onschuldig,

  teken van zachtmoedigheid.

Binnenkomst

Er komen 12 ambtsdragers en gemeenteleden binnen met ieder een brandende kaars. Twaalf kaarsen, zoals er twaalf leerlingen  waren, in wie wij onszelf mogen herkennen:  Leerlingen die met Jezus de  weg van Pasen willen gaan.

Welkom  

Muziek tot eer van God 

we gaan staan 

Bemoediging en drempelgebed 

Vg: Onze hulp is in de naam van de HEER,

die hemel en aarde gemaakt heeft

God, het is avond  en straks komt de nacht - 

doe ons het licht voor:  breken en delen, 

elkaar dienen en liefhebben, 

Allen: DAT WIJ NIEUWE MENSEN WORDEN IN UW LEVEN, IN UW DOOD. 

Zingen De toekomst is al gaande, LB 605: 1, 2 en 4

2 De toekomst is al gaande, schept doorgang door de vloed, 

dwars door het ongebaande een pad dat voortgaan doet. 

4 De toekomst is al gaande, verborgen en gezien, 

een stem die te verstaan is, een God die draagt en dient. 

we gaan zitten 

Groet V. De HEER zij met u. 

 G. OOK MET U ZIJ DE HEER. 

Gebed van de Witte Donderdag

Lezen: Exodus 12 : 1 – 28 (bewerking: ds Jan de Jongh)

Bij de uittocht uit het slavenhuis,

de tocht naar het land van verlangen,

vierden de Israëlieten de maaltijd van de vrijheid.

In de avondschemering van de veertiende dag van de eerste maand slachtten zij een schaap

bakten zij ongedesemde koeken

en aten het vóór de tocht begon.

Haastig moesten ze het eten

hun reiskleren aan,

sandalen aan hun voeten, de stok in de hand.

Het bloed van het schaap streken zij

aan de deurposten van hun huizen.

Het beschermde hen in het uur van de waarheid

tegen de engel van de dood.

Die nacht spaarde de engel hen en passeerde hun huis.

Daarom vieren alle generaties het feest van ‘passeren’ :

voor altijd blijft dit voorschrift van kracht

om Pascha of Paasfeest te vieren.

Zingen: lied 81: 1,3,4 Jubel God ter eer

Jubelt God ter eer, Hij is onze sterkte !
Juicht voor Isrels Heer, stem en tegenstem
springen op voor Hem die ons heil bewerkte.

Dit is ingezet als een eeuwig teken
Jozef tot een wet, toen des Heren hand
aan Egypteland, machtig is gebleken.

God heeft ons gezegd, nooit gehoorde dingen.
Heilig is 't en recht, nu en t' allen tijd
Hem die ons bevrijdt vrolijk toe te zingen. 

Lezen Mat 26: 18-30

Op de eerste dag van het feest van het Ongedesemde brood kwamen de leerlingen naar Jezus toe en vroegen: ‘Waar wilt U dat wij voorbereidingen treffen zodat U het pesachmaal kunt eten?’ 18 Hij gaf hun de opdracht om naar een zeker persoon in de stad te gaan en hem te zeggen: ‘De meester laat u weten: “Mijn tijd is nabij; Ik wil met mijn leerlingen bij u het pesachmaal gebruiken.”’ 19 De leerlingen deden wat Jezus hun had opgedragen en bereidden het pesachmaal.

20 Toen de avond was gevallen, lag Hij samen met de twaalf aan voor de maaltijd. 21 Onder het eten zei Hij tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: een van jullie zal Mij uitleveren.’ 22 Dit bedroefde hen zeer, en de een na de ander vroegen ze Hem: ‘Ik toch niet, Heer?’ 23 Hij antwoordde: ‘Hij die tegelijk met Mij iets uit de schaal nam, die zal Mij uitleveren. 24 De Mensenzoon zal heengaan zoals over Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon uitgeleverd wordt: het zou beter voor hem zijn als hij nooit geboren was.’ 25 Toen zei ook Judas, die Hem zou uitleveren: ‘Ik ben het toch niet, rabbi?’ Jezus antwoordde: ‘Jij zegt het.’

26 Toen ze verder aten nam Jezus een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood en gaf de leerlingen ervan met de woorden: ‘Neem, eet, dit is mijn lichaam.’ 27 En Hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de beker met de woorden: ‘Drink allen hieruit, 28 dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van zonden. 29 Ik zeg jullie: vanaf nu zal Ik niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken, tot de dag dat Ik er met jullie opnieuw van zal drinken in het koninkrijk van mijn Vader.’

Nadat ze de lofzang hadden gezongen, vertrokken ze naar de Olijfberg.

Zingen: Lofzang 113: 1 Prijs Halleluja

Prijst, halleluja, prijst den Heer,

gij 's Heren knechten, immermeer
moet 's Heren naam gezegend wezen.
Van waar de zon in 't Oosten straalt,

tot waar z' in 't Westen nederdaalt,
zij 's Heren grote naam geprezen.

Lezen: Mat 26: 31-46a

 Onderweg zei Jezus tegen hen: ‘Jullie zullen Mij deze nacht allemaal afvallen, want er staat geschreven: “Ik zal de herder doden, en de schapen van zijn kudde zullen uiteengedreven worden.” 32 Maar nadat Ik uit de dood ben opgewekt, zal Ik jullie voorgaan naar Galilea.’ 33 Petrus zei daarop tegen Hem: ‘Misschien zal iedereen U afvallen, ik nooit!’ 34 Jezus antwoordde hem: ‘Ik verzeker je: deze nacht, nog voor de haan gekraaid heeft, zul jij Mij driemaal verloochenen.’ 35 Petrus zei: ‘Al zou ik met U moeten sterven, verloochenen zal ik U nooit.’ Alle andere leerlingen vielen hem daarin bij.

Zingen:  Enkel góed is de Levende (naar psalm 118, drie keer) 

Een enkel woord

Zingen:  Enkel góed is de Levende (naar psalm 118, drie keer) 

Klaarmaken van de tafel van brood en wijn. 

Tafelgebed

Brengt dank aan God want Hij is goed, Zijn liefde duurt in eeuwigheid

Gezegend zijt gij, machtige God om het licht van deze dag

om het leven uit uw hand, om de liefde ons gegeven

Gezegend Gij, eeuwige God, om de werken die U doet,

om de redding ons gebracht, om uw Woord dat richting wijst.

Gezegend Gij, heilige God, om de mens naar uw hart,

uw Zoon tot ons gezonden, Jezus Christus, onze Heiland.

Die op de avond voor zijn lijden het brood genomen heeft, gebroken,

en het deelde met zijn leerlingen: ‘Neem en eet, mijn lichaam voor u.

Die de beker heeft genomen en hem rondgaf:

‘Het nieuwe verbond in mijn bloed, vergoten tot vergeving en verzoening.’

Gezegend Gij, omwille van Hem die wij hier en nu gedenken

met dit brood en deze beker.

Zend uw Geest, kom in ons midden.

Bind ons samen tot één lichaam dat zindert van leven en geestkracht,

met oren die horen en ogen die zien, handen die geréchtigheid doen

en voeten die gaan op de weg van de vrede.

Allen: MAAK ONS ÉÉN, DOE ONS HERLEVEN

Zo loven en zegenen wij U met allen in hemel en op aarde,

want Hij is onze Redder en Bevrijder, Jezus Christus, uw Zoon, onze Heer

Allen: AAN U ALLE EER

Allen: Onze Vader in de hemel,

laat uw naam geheiligd worden,

laat uw koninkrijk komen

en uw wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel.

Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben.

Vergeef ons onze schulden

zoals ook wij hebben vergeven wie ons iets schuldig was. 

En breng ons niet in beproeving, 

maar red ons uit de greep van het kwaad.

Want aan u behoort het koningschap,

de macht en de majesteit tot in eeuwigheid.  Amen

Vergeving, verzoening, vredegroet  

Wij wensen elkaar de vrede van Christus.

Zingen:  Als wij weer het brood gaan breken (mel lied 801)

Als wij weer het brood gaan breken dat gij, Heer, ons allen geeft

Leer ons dan met Hem te delen die geen deel van leven heeft.

2 Als wij van de feestwijn drinken die Gij, Heer, ons allen geeft,

leer ons dan om te gedenken, wie een lege beker heeft.

3 Als wij samen in de kring staan om wat Gij ons allen geeft,

leer ons dan om vast te houden wie geen hand in handen heeft. 

 4 Als wij weer de lofzang zingen om wat Gij ons allen geeft,

leer ons dan voor hem te roepen die geen stem meer over heeft. 

 5 Als wij zo de toekomst vieren die Gij, Heer, ons allen geeft,

 leer ons dan vandaag te zorgen voor wie zelfs geen morgen heeft. 

Wij delen brood en wijn

Dankgebed 

Lezen Matteüs 26: 36 – 46  

36 Vervolgens ging Jezus met zijn leerlingen naar een plek die Getsemane genoemd werd. Hij zei: ‘Blijven jullie hier zitten, Ik ga daar bidden.’ 37 Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs met zich mee. Toen Hij bedroefd en angstig begon te worden, 38 zei Hij tegen hen: ‘Ik ben diepbedroefd, tot stervens toe. Blijf hier met Mij waken.’ 39 Hij liep nog een stukje verder, liet zich voorover vallen op de grond en bad: ‘Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan! Maar laat het niet gebeuren zoals Ik het wil, maar zoals U het wilt.’ 40 Hij liep terug naar de leerlingen en zag dat ze lagen te slapen. Hij zei tegen Petrus: ‘Konden jullie niet eens één uur met Mij waken? 41 Blijf wakker en bid dat jullie niet in beproeving komen; de geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak.’ 42 Voor de tweede maal liep Hij bij hen vandaan en bad: ‘Vader, als het niet mogelijk is dat deze beker aan Mij voorbijgaat zonder dat Ik eruit drink, laat het dan gebeuren zoals U het wilt.’ 43 Toen Hij terugkwam, zag Hij dat ze weer sliepen, want ze waren door vermoeidheid overmand. 44 Hij liet hen achter, liep opnieuw wat verder en bad voor de derde maal, met dezelfde woorden als daarvoor. 45 Daarna voegde Hij zich weer bij de leerlingen en zei: ‘Liggen jullie daar nog steeds te slapen en te rusten? Het ogenblik is nabij waarop de Mensenzoon wordt uitgeleverd aan zondaars. 46 Sta op, laten we gaan; kijk, hij die Mij uitlevert, is al vlakbij.’

Zingen: lied 247: 1,2,3 Blijf mij nabij

Blijf mij nabij wanneer het duister daalt. 
De nacht valt in wanneer geen licht meer straalt. 
Andere helpers, Heer, ontvallen mij. 
Der hulpelozen hulp, wees mij nabij.

Wees bij mij, nu de dag ten einde spoedt. 
Alles verdoft wat glans bevat en gloed.
Alles vervalt in ’t wisselend getij, 
Maar gij die eeuwig zijt, blijf mij nabij. 

U heb ik nodig, uw genade is 
mijn enig licht in nacht en duisternis 
Wie anders zal mijn leidsman zijn dan Gij? 
In nacht en ontij, Heer, blijf mij nabij.

Onder orgelspel verlaten we de kerkzaal

De kaarsen blijven brandend achter bij de Paaskaars. Morgen, Goede Vrijdag, zetten we de dienst om 19.30uur  voort

Wilt u aub het liturgieboekje laten liggen?

GOEDE VRIJDAG 

Vooraf 

We nemen plaats in stilte. We zien de paaskaars en de twaalf kaarsen, brandend. Zo lieten we ze gisteren achter na de Maaltijd. Twaalf kaarsen  voor de leerlingen in wie wij ons mogen herkennen, die na de Maaltijd  samen met Jezus op weg naar Pasen wilden gaan, maar die één voor één  afhaakten.  

De schikking in de kerk:

                Het is stil geworden

                    pijnlijke stekels

en bloemen bloedrood

           bij het kruis.

Stilte 

Zingen:  O hoofd vol bloed en wonden, LB 576 a: 1

Lezen: Psalm 22

I:   Ik sta alleen, want U bent weggegaan.

Mijn God, mijn God waarom?

U bent mijn redding, maar niet hier en nu.

Waar bent U dan? Te ver bij mij vandaan.

Ik roep U na, mijn God, ik roep Uw Naam steeds weer.

U antwoordt niet. U kent mij nu niet meer.

II: Toch, U alleen bent God.

U haat het kwaad. Terecht houdt Israël U hoog.

Hun lofzang is Uw Heiligdom.

Mijn vader zei dat hij U had vertrouwd  en dat u hielp.

En ook zijn vader riep U en hij werd gered.

Voor hen was U betrouwbaar, Heer.

I: Maar ik ben niets en kan ook niets meer doen.

Ik word bespot en hoe!

Wie mij ziet, lacht en haalt de schouders op,

die kijkt me na en zegt: "Dat gaat goed fout.

Hij sleept zich voort, naar God, die zou zijn redding zijn.

Als God iets doet, als Hij nog van hem houdt."

II: Toch haalde U mij uit de moederschoot.

Toch legde U mij aan haar borst.

Ik was er en ik was van U.

Mijn moeder heeft mij aan U toevertrouwd.

U bent mijn God.

I:  Dus blijf niet langer weg.

Mijn God, ik ben zo bang

en niemand helpt me.  Help mij dan!

Zingen O liefde die verborgen zijt, LB 561 

2 Hoe achtloos in ons midden wordt het kostbaar mensenbloed gestort 

en in het onbarmhartig licht het kruis des Heren opgericht. 

3 De minsten van de mensen zijn daar uitgestrekt in angst en pijn. 

Tot aan het eind der wereld lijdt Christus in hun verlatenheid.

4 O Liefde uit de eeuwigheid die met ons mens geworden zijt, 

wij bidden, laat ons niet alleen in al het duister om ons heen, 

 5 opdat ook wij o Heer U niet verlaten in uw diep verdriet 

maar bij U zijn in al de pijn waarmee de mensen mensen zijn. 

Het verhaal van liefde en lijden volgens Johannes

We lezen het passieverhaal in delen. Na elk daarvan wordt een kaars  gedoofd onder het zingen van een lied of het luisteren naar de muziek die de celliste speelt.

Johannes 18:1-8

1 Nadat Jezus dit alles gezegd had, ging Hij met zijn leerlingen naar de overkant van de Kidron. Daar liep Hij een tuin in, met zijn leerlingen. 2 Judas, die Hem zou uitleveren, kende deze plek ook, want Jezus was er vaak met zijn leerlingen samengekomen. 3 Judas ging ernaartoe, samen met de cohort soldaten en een aantal dienaren van de hogepriesters en de farizeeën. Ze waren gewapend en droegen fakkels en lantaarns. 4 Jezus wist precies wat er met Hem zou gebeuren. Hij liep naar hen toe en vroeg: ‘Wie zoeken jullie?’ 5 Ze antwoordden: ‘Jezus van Nazaret.’ ‘Ik ben het,’ zei Jezus, terwijl Judas, die Hem kwam uitleveren, erbij stond. 6 Toen Hij zei: ‘Ik ben het,’ deinsden ze achteruit en vielen op de grond. 7 Weer vroeg Jezus: ‘Wie zoeken jullie?’ en weer zeiden ze: ‘Jezus van Nazaret.’ 8 ‘Ik heb jullie al gezegd: “Ik ben het,”’ zei Jezus. ‘Als jullie Mij zoeken, laat deze mensen dan gaan.’

Zingen: lied 587:1                                                                                                                            doven van de 1e kaars

Johannes 18, 9-11

9 Zo moest zijn uitspraak in vervulling gaan: ‘Geen van hen die U Mij gegeven hebt, heb Ik verloren laten gaan.’ 10 Daarop trok Simon Petrus het zwaard dat hij bij zich had, haalde uit naar de knecht van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af; Malchus heette die knecht. 11 Maar Jezus zei tegen Petrus: ‘Steek je zwaard in de schede. Zou Ik de beker die de Vader Mij gegeven heeft niet drinken?’

Muziek door celliste                                                                                                                             doven van de 2e kaars

Johannes 18, 12-23

12 De soldaten met hun tribuun en de Joodse gerechtsdienaars grepen Jezus en boeiden Hem. 13 Ze brachten Hem eerst naar Annas, de schoonvader van Kajafas. Kajafas was dat jaar hogepriester, 14 en hij was het die de Joden had voorgehouden: ‘Het is goed dat één mens sterft voor het hele volk.’ 15 Simon Petrus kwam met een andere leerling achter Jezus aan. Deze andere leerling kende de hogepriester en ging met Jezus het paleis van de hogepriester in, 16 maar Petrus bleef buiten bij de poort staan. Daarop kwam de andere leerling, de kennis van de hogepriester, weer naar buiten; hij sprak met de portierster en nam Petrus mee naar binnen. 17 Het meisje sprak Petrus aan: ‘Ben jij soms ook een leerling van die man?’ ‘Nee, ik niet,’ zei hij. 18 De knechten en de gerechtsdienaars stonden zich te warmen bij een vuur dat ze hadden aangelegd omdat het koud was; ook Petrus ging zich erbij staan warmen.

19 De hogepriester ondervroeg Jezus over zijn leerlingen en over zijn leer. 20 Jezus zei: ‘Ik heb in het openbaar tot de wereld gesproken. Ik heb steeds onderricht gegeven op plaatsen waar de Joden bij elkaar komen, in synagogen en in de tempel, en nooit heb Ik iets in het geheim gezegd. 21 Waarom ondervraagt u Mij? Vraag het toch aan de mensen die Mij gehoord hebben, zij weten wat Ik gezegd heb.’ 22 Toen Jezus dat zei, gaf een van de dienaren die erbij stonden Hem een klap in het gezicht: ‘Is dat een manier om de hogepriester te antwoorden?’ 23 Jezus zei: ‘Als Ik iets verkeerds gezegd heb, zeg dan wat er verkeerd was, maar als het juist is wat Ik heb gezegd, waarom slaat u Me dan?’

Zingen: LB 577: 2                                                                                                                                   doven van de 3e kaars

Johannes 18, 24-27

24 Daarna stuurde Annas Hem geboeid naar Kajafas, de hogepriester.

25 Simon Petrus stond zich intussen nog steeds te warmen. ‘Ben jij soms ook een leerling van Hem?’ vroegen ze. ‘Nee,’ ontkende Petrus, ‘ik niet.’ 26 Maar een van de knechten van de hogepriester, een familielid van de man van wie Petrus het oor had afgeslagen, zei: ‘Maar ik heb toch gezien dat je in die tuin bij Hem was?’ 27 Weer ontkende Petrus, en meteen kraaide er een haan.

Muziek  door celliste                                                                                                                        doven dan de 4e kaars                                                                                                                    

Johannes 18, 28-36

Jezus werd van Kajafas naar het pretorium gebracht. Het was nog vroeg in de morgen. Zelf gingen ze niet naar binnen, anders zouden ze zich verontreinigen en niet aan het pesachmaal kunnen deelnemen. 29 Daarom kwam Pilatus naar buiten. ‘Waarvan beschuldigt u deze man?’ vroeg hij. 30 Ze antwoordden: ‘Als Hij geen misdaden had gepleegd, zouden we Hem niet aan u uitgeleverd hebben.’ 31 Pilatus zei: ‘Neem Hem dan mee, en veroordeel Hem volgens uw eigen wet.’ Maar de Joden wierpen tegen: ‘Wij hebben het recht niet om iemand ter dood te brengen.’ 32 Zo moest de uitspraak van Jezus in vervulling gaan waarin Hij aanduidde welke dood Hij zou sterven.

33 Pilatus ging het pretorium weer in. Hij liet Jezus bij zich komen en vroeg Hem: ‘Bent U de koning van de Joden?’ 34 Jezus antwoordde: ‘Vraagt u dit uit uzelf of hebben anderen dit over Mij gezegd?’ 35 ‘Ik ben toch geen Jood,’ antwoordde Pilatus. ‘Uw volk en uw hogepriesters hebben U aan mij uitgeleverd – wat hebt U gedaan?’ 36 Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat Ik aan de Joden werd uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is niet van hier.

Zingen: LB 558: 6 en 7                                                                                                                     doven van de 5e kaars

Om het zwijgen het geduld waarmee Gij de wet vervult,

als men vruchtloos zoekt naar schuld, Kyrie eleison

Om het woord van goddelijk recht dat gij tot uw rechters zegt,

zelf hebt Ge’uw geding beslecht, Kyrie eleison

Johannes 18, 37-40

Pilatus zei: ‘U bent dus koning?’ ‘U zegt dat Ik koning ben,’ zei Jezus. ‘Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert naar wat Ik zeg.’ 38 Hierop zei Pilatus: ‘Maar wat is waarheid?’

Na deze woorden ging hij weer naar de Joden buiten. ‘Ik heb geen schuld in Hem gevonden,’ zei hij. 39 ‘Maar het is bij u gebruikelijk dat ik met Pesach iemand vrijlaat – wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat?’ 40 Toen begon iedereen te schreeuwen: ‘Hem niet, maar Barabbas!’ Barabbas was een misdadiger.

Muziek door celliste                                                                                                                           doven van de 6e kaars

Johannes 19, 1-12a

1 Toen liet Pilatus Jezus geselen. 2 De soldaten vlochten een kroon van doorntakken, zetten die op zijn hoofd en deden Hem een purperen mantel aan. 3 Ze liepen naar Hem toe en zeiden: ‘Gegroet, koning van de Joden!’, en ze sloegen Hem in het gezicht. 4 Pilatus ging weer naar buiten en zei: ‘Ik zal Hem hier buiten aan u tonen om u duidelijk te maken dat ik geen enkel bewijs van zijn schuld heb gevonden.’ 5 Daarop kwam Jezus naar buiten, met de doornenkroon op en de purperen mantel aan. ‘Hier is Hij, die mens,’ zei Pilatus. 6 Maar toen de hogepriesters en de gerechtsdienaars Hem zagen begonnen ze te schreeuwen: ‘Kruisig Hem, kruisig Hem!’ Toen zei Pilatus: ‘Neem Hem dan mee en kruisig Hem zelf, want ik zie niet waaraan Hij schuldig is.’ 7 De Joden zeiden: ‘Wij hebben een wet die zegt dat Hij moet sterven, omdat Hij zich de Zoon van God heeft genoemd.’ 8 Toen Pilatus dit hoorde, schrok hij hevig. 9 Hij ging het pretorium weer in en vroeg aan Jezus: ‘Waar komt U vandaan?’ Maar Jezus gaf geen antwoord. 10 ‘Waarom zegt U niets tegen mij?’ vroeg Pilatus. ‘Weet U dan niet dat ik de macht heb om U vrij te laten of U te kruisigen?’ 11 Jezus antwoordde: ‘De enige macht die u over Mij hebt, is u van boven gegeven. Daarom draagt degene die Mij aan u uitgeleverd heeft de meeste schuld.’ 12 Vanaf dat moment wilde Pilatus Hem vrijlaten.

Zingen: LB 587: 4                                                                                                                              doven van de 7e kaars

Hier is God zelf, ontdaan van alle glorie,

De mens die uit de hemel is geboren.

Ik ben de gesel die hem open haalde,

ik laat hem vallen

Johannes 19, 12b-22

Maar de Joden riepen: ‘Als u die man vrijlaat bent u geen vriend van de keizer, want iedereen die zichzelf tot koning uitroept pleegt verzet tegen de keizer.’ 13 Toen Pilatus dit hoorde, liet hij Jezus naar buiten brengen. Zelf nam hij plaats op de rechterstoel op het zogeheten Mozaïekterras, in het Hebreeuws Gabbata. 14 Het was rond het middaguur op de voorbereidingsdag van Pesach. Pilatus zei tegen de Joden: ‘Hier is Hij, uw koning.’ 15 Meteen schreeuwden ze: ‘Weg met Hem, weg met Hem, aan het kruis met Hem!’ Pilatus vroeg: ‘Moet ik uw koning kruisigen?’ Maar de hogepriesters antwoordden: ‘Wij hebben geen andere koning dan de keizer!’ 16 Toen droeg Pilatus Hem aan hen over om Hem te laten kruisigen.

Jezus werd weggevoerd; 17 Hij droeg zelf het kruis naar de zogeheten Schedelplaats, in het Hebreeuws Golgota. 18 Daar kruisigden ze Hem, met twee anderen, aan weerskanten één, en Jezus in het midden. 19 Pilatus had een inscriptie laten maken die op het kruis bevestigd werd. Er stond op: ‘Jezus van Nazaret, koning van de Joden’. 20 Het stond er in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks, en omdat de plek waar Jezus gekruisigd werd dicht bij de stad lag, werd deze inscriptie door veel Joden gelezen. 21 De hogepriesters van de Joden zeiden tegen Pilatus: ‘U moet niet “koning van de Joden” schrijven, maar “Deze man heeft beweerd: Ik ben de koning van de Joden”.’ 22 ‘Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven,’ was het antwoord van Pilatus.

Muziek door celliste                                                                                                                          doven van de 8e kaars

Johannes 19, 23-27

Nadat ze Jezus gekruisigd hadden, verdeelden de soldaten zijn kleren in vieren, voor iedere soldaat een deel. Maar zijn onderkleed was in één stuk geweven, van boven tot beneden. 24 Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we het niet scheuren, maar laten we loten wie het hebben mag.’ Zo moest in vervulling gaan wat de Schrift zegt: ‘Ze verdeelden mijn kleren onder elkaar en wierpen het lot om mijn gewaad.’ Dat is wat de soldaten deden.

25 Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder en haar zus, en Maria, de vrouw van Klopas, en Maria van Magdala. 26 Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie Hij veel hield, zei Hij tegen zijn moeder: ‘Vrouw, dat is uw zoon,’ 27 en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ Vanaf dat moment nam die leerling haar bij zich in huis.

Zingen: LB 576 b: 4                                                                                                                        doven van de 9e kaars

Lezen: Johannes 19, 28-30

Toen wist Jezus dat alles was volbracht, en om de Schrift geheel in vervulling te laten gaan zei Hij: ‘Ik heb dorst.’ 29 Er stond daar een vat water met azijn; ze doopten er een spons in en brachten die, gestoken op een majoraantak, naar zijn mond. 30 Nadat Jezus ervan gedronken had zei Hij: ‘Het is volbracht.’ Hij boog zijn hoofd en gaf de geest.

Stilte                                                                                                                              doven van de 10e kaars

Johannes 19, 31-37

Het was voorbereidingsdag, en de Joden wilden voorkomen dat de lichamen op sabbat, en nog wel een bijzondere sabbat, aan het kruis zouden blijven hangen. Daarom vroegen ze Pilatus of de benen van de gekruisigden gebroken mochten worden en of ze de lichamen mochten meenemen. 32 Toen braken de soldaten de benen van de eerste die tegelijk met Jezus gekruisigd was, en ook die van de ander. 33 Vervolgens kwamen ze bij Jezus, maar ze zagen dat Hij al gestorven was. Daarom braken ze zijn benen niet. 34 Maar een van de soldaten stak een lans in zijn zij en meteen vloeide er bloed en water uit. 35 Hiervan getuigt iemand die het zelf heeft gezien, en zijn getuigenis is betrouwbaar. Hij weet dat hij de waarheid spreekt en wil dat ook u gelooft. 36 Dit gebeurde omdat de Schrift in vervulling moest gaan: ‘Geen van zijn beenderen zal verbrijzeld worden.’ 37 Een andere schrifttekst zegt: ‘Ze zullen hun blik richten op Hem die ze hebben doorstoken.’

Muziek door celliste             

                     doven van de 11e kaars

Johannes 19, 38-42

38 Na deze gebeurtenissen vroeg Josef van Arimatea – die een leerling van Jezus was, maar uit angst voor de Joden in het geheim – aan Pilatus of hij het lichaam van Jezus mocht meenemen. Pilatus gaf toestemming en Josef nam het lichaam mee. 39 Nikodemus, die destijds ’s nachts naar Jezus toe gegaan was, kwam ook; hij had een mengsel van mirre en aloë bij zich, wel honderd litra. 40Ze wikkelden Jezus’ lichaam met de balsem in linnen, zoals gebruikelijk is bij een Joodse begrafenis. 41Bij de plaats waar Jezus gekruisigd was lag een tuin, en daar was een nieuw graf, waarin nog nooit iemand begraven was. 42 Omdat het voor de Joden voorbereidingsdag was en dat graf dichtbij was, legden ze Jezus daarin.

Waar was jij? Aanklacht onder het kruis (NLB 585)

Stem 1: Waar was jij, toen men Hem gekruisigd had?

Waar was jij, toen men Hem hing aan het hout?

Waar was jij, toen de zon niet langer wilde schijnen?

Waar was jij, toen Hij in zijn graf gelegd werd?

Waar was jij, toen Hij uit de doden opstond?

Stem 2: Erbarm U, Heer…

Stem 3: Waar was jij? Honger heb ik geleden: gaf jij mij toen te eten?

Dorst heb ik gehad: liet jij mij toen drinken?

Ooit was ik vreemdeling: gaf jij mij onderdak?

Toen ik was uitgekleed: bedekte jij mijn schande?

En toen ik ziek was: heb jij mij opgezocht?

Ooit zat ik gevangen, kwam jij toen naar mij toe?

Stem 2: Wanneer dan Heer?

Stem 3: Alles wat je niet voor de minsten van mijn broeders en zusters hebt gedaan, heb je ook mij niet gedaan!

Waar was jij?

De paaskaars wordt wegdragen

Zingen: Lied 590: 1, 2, 4                                                                                                                  doven van de 12e kaars

2 De wereld gaf

Hem slechts een graf,

zijn wonen was Hem zwerven;

al zijn onschuld werd Hem straf

en zijn leven sterven.

4 ’t Is goed, o Heer,

Gij hoeft de eer

van God niet meer te staven.

Leggen wij ons bij U neer,

in uw dood begraven.

We bidden het Luthers avondgebed

Blijf bij ons, Heer,  

want het is avond 

en de nacht zal komen. 

Blijf bij ons en bij uw ganse Kerk 

aan de avond van de dag, 

aan de avond van het leven, 

aan de avond van de wereld. 

Blijf bij ons 

met uw genade en goedheid, 

met uw troost en zegen, 

met uw woord en sacrament. 

Blijf bij ons wanneer over ons komt 

de nacht van beproeving en van angst, 

de nacht van twijfel en aanvechting, 

de nacht van de strenge, bittere dood. 

Blijf bij ons 

in leven en in sterven, 

in tijd en eeuwigheid. 

Amen. 

We luisteren naar lied 818, Niet is het laatste woord gesproken

Niet is het laatste woord gesproken,
er klinkt een lied, al is het nacht.
Onzeker gaan wij, reisgenoten,
op weg met wie ons samenbracht.
Wat komen zal is nog verborgen,
God weet wat ons te wachten staat:
het stille licht, een nieuwe morgen,
waarmee ik mij verzoenen laat.

Wie als het water uitgegoten
de dorre grond tot bloeien brengt;
wie als de dauw daalt in de morgen
en schepping teer met licht doordrenkt,
leeft niet vergeefs, gaat niet verloren
in duisternis van niemandsland.
Een naam klinkt in het wuivend koren:
belofte van het nieuwe land.

In Stilte verlaten we de kerkzaal 

Wilt u het liturgieboekje laten liggen?

STILLE ZATERDAG 

Vooraf

Donker en Stilte

We nemen plaats in de stilte van de nacht. Het is donker. We blijven stil. We waken. We herinneren ons wat is toegezegd: dat het  scheppingsverhaal niet klaar is en dat vanaf het begin der tijden het licht niet door het duister is overweldigd.  Wij hopen ons een weg door de nacht. 

           De schikking

              Het is stil

    in volle verwachting

       van beweging en een nieuw begin.

Nieuw begin

Stem:

Sinds het begin is God schepper van de hemelen en de aarde.

De aarde is woestheid en warboel geweest, met duisternis op de oervloed,

Maar hoor, de adem van God blaast al over het woeste het water.

Dan zegt God: kome er licht! - en er kómt licht.

Genesis 1, 1 – 4

Licht

De Paaskaars wordt door de dopeling binnengedragen.

We zingen: lied 600, ‘Licht, ontloken aan het donker’

Solo: 1 Licht, ontloken aan het donker,

            Licht, gebroken uit de steen,

            Licht, waarachtig levensteken,

            werp uw waarheid om ons heen!

Solo: 2 Licht, geschapen, uitgesproken,

            Licht, dat straalt van Gods gelaat,

            Licht uit Licht, uit God geboren,

            groet ons als de dageraad!

Vrouwen: 3 

Mannen: 4  

Licht, verschenen uit den hoge,

Licht, gedompeld in de dood,

Licht, onstuitbaar, niet te doven,

zegen ons met morgenrood!

Allen: 5

Licht, straal hier in onze ogen,

Licht, breek uit in duizendvoud,

Licht, kom ons met stralen tooien,

ga ons voor van hand tot hand!

Het paaslicht gaat door de kerk (de dopeling en haar zussen helpen), de nieuwe paaskaars wordt op de standaard gezet.

Emma: Waarom is deze nacht zo anders dan alle andere nachten?

Waarom slapen wij niet maar wachten wij in het donker?

Voorganger: ……

Wij zingen in beurtzang: eerst de vrouwen, dan de mannen: mel lied 400 (oude liedboek voor de kerken)

V:        Ver-   heft    uw stem   en   heft  het  aan,    hal-   le-       lu-      ja

M:       Ver-   heft    uw stem   en   heft  het  aan,    hal-   le-       lu-      ja

V:      Dit    licht     zal     on-   ze    nacht  ver- slaan,    hal-   le-    lu-       ja

M:      Dit    licht     zal     on-   ze    nacht  ver- slaan,    hal-   le-    lu-       ja

Allen: Hal-  le-     lu-         ja,         Hal-   le-    lu-         ja ,     Hal-    le-     lu-       ja

V: In diepe nacht een nieuwe wijs, halleluja

M: In diepe nacht een nieuwe wijs, halleluja

V: Dit licht gaat met ons mee op reis, halleluja

M: Dit licht gaat met ons mee op reis, halleluja

Allen: Halleluja, Halleluja, Halleluja

Allen: Dit licht verkondigt ongehoord, halleluja

Dit licht verkondigt ongehoord, halleluja

De laatste krijgt het eerste woord, halleluja,

De laatste krijgt het eerste woord, halleluja

Halleluja, Halleluja, Halleluja

    Wij doven onze kaarsen.

Gebed voor de paasnacht

Lezingen voor de paasnacht.

Emma: Waarom is deze nacht anders dan alle andere nachten?

V: …………………………………….

Zingen lied 984: 1,2,4  (melodie lied 350)

Gezegend die de wereld schept,

de dag uit nacht tot leven wekt,

het licht der zon roept en de maan,

de sterren om op wacht te staan.

Gezegend die de aarde maakt,

de grenzen van de zee bewaakt,

ontluiken doet het jonge groen,

de kleurenpracht van elk seizoen.

Gezegend die de mensen roept

tot liefde, vruchtbaarheid en moed,

om voor elkander te bestaan

in eerbied voor zijn grote naam.

Evelien: Waarom is deze nacht anders dan alle andere nachten?

V: ……………………………

Zingen: Psalm 62: 1. Mijn ziel is stil tot God mijn Heer

Mijn ziel is stil tot God mijn Heer,
van Hem verwacht ik altijd weer
mijn heil, - op Hem toch kan ik bouwen.
Ik wankel niet, want Hij staat vast:
mijn toevlucht, als het water wast,
mijn rots, mijn enige vertrouwen.

Elise: Waarom is deze nacht anders dan alle andere nachten?

V: ……………………

Zingen: Nog voor wij woorden hebben

(tekst:Sytze de Vries; mel: lied 657: ‘Zolang wij ademhalen’)

1 Nog voor wij woorden hebben heeft Hij ons in het oog

Meer dan wij durven dromen houdt Hij ons leven hoog.

Hij schrijft op onze dagen dit eeuwige refrein

Jouw God ben ik, jouw Vader, Ik zal er voor jou zijn.

2 Wij trekken door het water en zetten voet aan land

Het leven komt ons nader hier aan de overkant.

De dood druipt van ons lichaam. God maakt een nieuw begin

Zijn Geest waait ons weer droog en blaast nieuwe adem in.

Emma: Waarom is deze nacht anders dan alle andere nachten?

V:………………….

Zingen: lied 350:  3, 4 5, Tot ondergang zijn wij gedoemd

3.Tot ondergang zijn wij gedoemd,

als God ons niet bij name noemt,

maar God-zij-dank, Hij doet ons gaan

door ’t water van de doodsjordaan.

4. Wij staan geschreven in zijn hand,

Hij voert ons naar ’t beloofde land.

Als kind’ren gaan wij zingend voort,

de Vader is het die ons hoort

5. Met Noach en zijn regenboog

Mozes die uit Egypte toog

en Jona uit het hart der zee

bidt heel uw kerk aanbiddend mee

                       Doop en doopgedachtenis in de paasnacht

Lezing vrij naar Romeinen 6 : 3 en 4

Jullie weten toch wel dat jullie door de doop bij Jezus horen?

Want door de doop zijn jullie met Jezus diep, doods water in gegaan.

En met Hem zijn jullie daar, in die diepte, ten onder gegaan.

Jezus werd door God uit het water getrokken.

Hij stond er uit op, als uit de dood, Hij leefde.

Zo is het ook voor ons.

Wij staan met Jezus op, als uit diep, doods water.

Wij volgen Hem om met Hem een nieuw leven te leiden.

V: Emma, waarom ben jij hier vannacht gekomen?

Emma: Ik wil gedoopt worden!

V: Met welke namen wil jij dat God en mensen en alle kinderen jou kennen?

Emma: Emma Lianne

V: Laat deze namen voorgoed geschreven staan in de palm van Gods hand.

Voor Emma zingen we:  lied 781, 1,3,4, Kind van God gegeven

Kind van God gegeven
kind bij God vandaan,
in Zijn hand geschreven
staat jouw nieuwe naam.

Kind door God geroepen
kind, jij hoort erbij:
Ik heb jou geroepen,
kind, jij bent van Mij!

Kind van God gegeven,
kind bij God vandaan,
in Zijn hand geschreven
staat jouw nieuwe naam.

                                                           We gaan naar het doopvont

Doopgebed

Geloofsbelijdenis            (we gaan staan)

Kind: Ik geloof in God, die een goede Vader is voor alle mensen,

zoals ouders of verzorgers goed zijn voor ons.

Ik geloof in Jezus, die liet zien hoe we als vrienden kunnen leven

en die ons leert lief te hebben.

Ik geloof in de Heilige Geest,

die ons helpt om goed te doen en vrede te brengen.

Ik geloof dat wij samen een wereld kunnen bouwen zonder ruzie of verdriet, een wereld vol licht.

Gemeente:  Ja, dat geloven wij!

Zingen:  lied 348: 3

Reeds staat Gij klaar en komt ons vriend’lijk tegen,

uw liefde vindt ons langs verborgen wegen

Eer wij u zoeken zijt Gij daar

Emma wordt gedoopt en gezegend.

Vragen na de doop

-aan de dopeling,

-aan haar ouders,

-aan de gemeente

Na de vraag aan de gemeente antwoord de gemeente:

Gemeente: Ja dat willen wij

Zingen lied 348: 4, 9

Geef ons uw naam de oude mens moet sterven,

in U zal zij een nieuw bestaan verwerven

als Gij maar voor haar in blijft staan.

Er is gedoopt! Wij allen zijn verbonden,

het voorgeslacht, de ouders die hier stonden,

de ganse kerk in een geloof.

Hernieuwing van de doopgeloften

Iedereen, die dat wil, mag nu naar voren komen om de eigen doop te herdenken.  U krijgt met water een kruisje op uw voorhoofd getekend met de woorden: “De Geest maakt je levend”. U mag antwoorden met  “amen”.

Voel u  vrij om naar het doopvont te komen. Voel u ook vrij om te blijven zitten.

Terwijl we naar het doopvont komen zingen we: lied 655 Zing voor de Heer een nieuw gezang

2 Hij gaat u voor in wolk en vuur, gunt aan uw leven rust en duur

en geeft het zin en samenhang. Zing dan de Heer een nieuw gezang!

3. Een lied van uw verwondering dat nóg uw naam niet onderging,

maar weer opnieuw geboren is uit water en uit duisternis.

4. De hand van God doet in de tijd tekenen van gerechtigheid.

De Geest des Heren vuurt ons aan de heilige tekens te verstaan.

5. Wij zullen naar zijn land geleid doorleven tot in eeuwigheid

en zingen bij zijn wederkeer een nieuw gezang voor God de Heer.

Jeugdouderling Hanneke biedt de doopkaars aan en zegt:

Ontvang het licht van Jezus”

Dankgebed

Stilte

We wachten tot de klokken luiden, dan gaan we staan.

Lezing van het opstandingsevangelie: Matteüs 28, 1-10

1 Na de sabbat, bij het ochtendgloren van de eerste dag van de week, kwam Maria van Magdala met de andere Maria naar het graf kijken. 2 Plotseling begon de aarde hevig te beven, want een engel van de Heer daalde af uit de hemel, liep naar het graf, rolde de steen weg en ging erop zitten. 3 Hij lichtte als een bliksem en zijn kleding was wit als sneeuw. 4 De bewakers beefden van angst en vielen als dood neer. 5 De engel richtte zich tot de vrouwen en zei: ‘Wees niet bang, ik weet dat jullie Jezus, de gekruisigde, zoeken. 6 Hij is niet hier, Hij is immers uit de dood opgewekt, zoals Hij gezegd heeft. Kijk, dit is de plaats waar Hij gelegen heeft. 7 En ga nu snel naar zijn leerlingen en zeg hun: “Hij is opgewekt uit de dood, en dit moeten jullie weten: Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zul je Hem

zien.” Onthoud dat ik jullie dit gezegd heb.’

8 Ontzet en opgetogen verlieten ze het graf; ze haastten zich om het aan zijn leerlingen te vertellen.

9 Op dat moment kwam Jezus hun tegemoet en groette hen. Ze liepen op Hem toe, grepen zijn voeten vast en aanbaden Hem. 10 Daarop zei Jezus: ‘Wees niet bang. Ga mijn broeders vertellen dat ze naar Galilea moeten gaan, daar zullen ze Mij zien.’

We luisteren en kijken naar: Het leven krijgt weer kleur

Refrein:

Van donker naar licht, van zwart naar heel veel kleuren.

Met Pasen kun je verder gaan, want Jezus is opgestaan, de dood voorbij.

Het leven krijgt weer kleur voor jou en mij.

1. Geel van de zon, de warmte die je nodig hebt,

het licht voor jou en mij: het donker gaat voorbij.

2. Rood van de liefde, die mensen aan elkaar verbindt.

Die is oneindig groot, en sterker dan de dood.

3.Groen van de hoop, de muren vallen steen voor steen.

We zien elkaar weer staan, een nieuwe tijd breekt aan.

V: …..

Zingen lied 634: 2, Licht moge stralen in de duisternis

Licht moge stralen in de duisternis,

nieuwe vrede dalen waar geen hoop meer is.

Geef ons dan te leven in het nieuwe licht,

wil het woord ons geven dat hier vrede sticht:

U zij de glorie, opgestane Heer,

U zij de victorie, U zij alle eer!

We verlaten de kerk. Onder de toren kunt u Emma en haar ouders en zussen een hand geven.

Morgen, Paaszondag, zetten we deze dienst voort.

U bent om 10 uur hartelijk welkom.

Afbeelding op de voorkant: ‘Opstanding’, Piet van Riel